Volkeren

Harm en Cindy op reis

Antarctica Argentinië Paaseiland Chili Trinidad & Tobago Guatemala Verenigde Staten Hawaii Micronesië Japan Noord-Korea China Namibië

Volkeren van Namibië

De talen

We willen eerst even iets zeggen over de talen in Namibie. De Afrikaanse taal is echt geweldig. We hebben verschillende gesprekken met mensen gevoerd in het Afrikaans- Nederlands. Dat lukt best, mits iedereen een beetje langzaam praat en goed articuleert. Het Afrikaans is in onze ogen (oren!) de versimpelde versie van het Nederlands met wat verschillende benoemingen. Enkele woorden waar we erg om gelachten hebben: kameelpaard (=giraffe), ...(=bestek) en dankie & assieblief.

Bijna iedereen in Namibie spreekt Afrikaans, Engels en hun eigen taal van het volk/ de groep waarbij zij horen. Wij hebben de verschillen niet gemerkt (we kunnen er echt niets van maken), maar deze zijn er wel degelijk; sommige volkeren kunnen elkaar ook niet verstaan. Om nog maar niet te spreken over de verschillen die er ook weer zijn binnen een bepaalde groep... Ook heel indrukwekkend vonden wij de clicks (klakken met de tong) die in deze talen voorkomen.

De bevolkingsgroepen

Er zijn zeer veel verchillende bevlkingsgroepen in Namibie; te veel om op te noemen. Wel kunnen we de grootste groepen kort beschrijven en uiteraard onze ervaringen met deze mensen. Maar voor we hiermee beginnen, willen we toch nog even onze verbazing uiten over de grote verschillen tussen de blanke en de zwarte bevolking. We wisten wel dat deze verschillen bestaan, maar niet dat dit zo duidelijk is. Dat brengt ons bij de eerste groep inwoners, waar we niet te veel over zullen zeggen: de blanke Namibiers van Duitse afkomst. Zij rijden in dure autos, hebben grote huizen, dragen dure kleding (en hebben waarschijnlijk ook goede banen). De aanwezigheid van deze mensen maakte het in enkele steden (Windhoek en Grootfontein) wel makkelijker, omdat wij niet meteen werden bestempeld als toeristen.

Herero's

De tweede groep (die hier eigenlijk onder staat), zijn de Herero's. Zij hebben ook redelijk goede banen, redelijke stenen huizen en dragen mooie, kleurrijke kleding en mooie hoofddeksels. Wij hebben met verschillende Hereros gesproken, waaronder een vrouw die een bar bezit. Zij liet ons (tot onze verbazing) wel duidelijk merken dat zij de bovenste laag zijn van de zwarte bevolking...

Damara's

Het verschil met de Damaras (die hier weer onder staan) is groot. De Damaras wonen in hutten van klei en leven voornamelijk van de handel. Wij zijn in aanraking gekomen met een familie die langs de kant van de weg zelfgemaakte spullen verkochten. Wij stopten met de auto en zij lieten al hun spulletjes zien. Omdat we ons verplicht voelden om wat te kopen, hebben we een poppetje gekocht. Na het afrekenen van het poppetje vroegen we of we een foto mochten maken. Dat mocht, mits wij de foto ook aan haar zouden toesturen... geen probleem natuurlijk. Zo nam zij ons mee naar haar huisje en kregen we een korte rondleiding door het huisje en werden we voorgesteld aan de familie. Evangelica (zoals zij heet), schreef haar naam, adres en bankrekeningnummer (!) voor ons op. Na een uurtje vroegen we haar of zij wist waar wij de Himba-bevolking konden ontmoeten, omdat zij erg moeilijk bereikbaar zijn en wij dit absoluut niet wilden doen met een toeristische Himba-tour... Dat brengt ons bij de volgende alinea...

Himba's

Evangelica vertelde ons dat er vlakbij een Himba dorp te vinden was. Wij fronsden onze wenkbrouwen omdat wij dachten dat deze families veel noordelijker woonden en omdat wij ondertussen genoeg (slechte) ervaring hadden met het inschatten van afstanden door de lokale bevolking. Door haar zelfbewustheid en haar voorstel om mee te gaan als gids (now I am a black tourist) stemde we ermee in. Toen we de auto instapten, merkten we al snel dat haar zus in de achterbak instapte en het zoontje (4 jaar) van Evangelica meenam. Evangelica zelf (die bij ons voorin de auto zat) kreeg nog de baby van haar zus in haar handen gedrukt en zo reden we weg... We horen Evangelica nog zeggen It is only five kilo, nou dat was het niet! Na 8 kilometer (van de doorgaande weg af- de bergen tegemoet) kwamen we bij een hek. Een vriendelijke jongeman stapte ook in de achterbak omdat hij met ons mee wilde gaan. Gelukkig hadden we hem bij ons, want onze vrouwelijke gidsen hadden de weg nooit gevonden! De jongen leidde ons over wegen (wij zagen geen wegen!), over rotsen en door rivieren. Maar goed dat we in een 4x4 reden en geen eigen risico hadden... Op een gegeven moment (na drie kilometer) hebben we geweigerd om verder te gaan met de auto.. dat zou echt onverantwoord zijn geweest! We stapten dus uit met al onze gidsen en gingen te voet verder.

Na een twee-kilometer route door een prachtge omgeving en door een bijna-woestijn kwamen we aan bij een Himba-familie. Gelukkig was het de moeite waard. De Himbas leven echt nog heel primitief (het lijken tentjes van klei) en dragen nog traditionele kleding. Een wat minder prettige ervaring is dat ze vrijwel meteen vroegen wat we voor ze hadden meegenomen, terwijl dit plekje echt niet toeristisch kan zijn! Dat brengt ons bij de vraag waarom deze mensen ervoor kiezen om afgezonderd van de westerse maatschappij te leven, maar hier tegelijkertijd ook zoveel mogelijk van willen profiteren... Afijn, een prachtige ervaring met wat vraagtekens.

Bushmen

Zo eigenwijs als wij zijn, zijn we tegen alle verhalen in (je vindt deze mensen nooit) toch op zoek gegaan naar de bosjesmannen. We zijn gewoon bushmenland in gereden en hadden de instelling van we zien wel, niet geschoten is altijd mis. We wisten al dat deze bevolkingsgroep grotendeels semi-gevestigd is en dat het al wat verwesterd is (ze lopen niet meer met pijl en boog, want dit is door de overheid verboden). Na twee uur rijden bespraken we onze tactiek: zodra we een bosjesman tegenkomen (even opgezocht hoe we ze konden herkennen), geven we hem een lift naar huis. En zo gebeurde het ook. Een klein mannetje was op weg van de stad naar zijn familie. Hij moest nog 20 kilometer lopen (van de 80!) en sloeg ons aanbod niet af. In gebrekkig Engels vertelde hij ons dat hij enkele runderen had verkocht in de stad en dat hij op de terugweg was naar zijn plot (stukje grond waar de familie op woont). Wij hebben hem afgezet bij zijn plot en vroegen of we even mee mochten. Dat vond hij geen probleem en wij liepen wat onwennig achter hem aan. Snel nog even wat ballonnen in de tas gedaan, zodat we niet met lege handen zouden aankomen. We kregen de enige twee stoeltjes die er waren en de hele familie kwam bij ons zitten. We konden nauwelijks communiceren, dus het meeste ging met handen en voeten. We mochten zelfs in hun hutten (van takken) kijken! Af en toe vertaalde het mannetje wat woorden voor de familie waarna iedereen ging lachen (of ons uitlachten). Een heel bijzondere en pure ervaring dus.

Op de terugweg kwamen we nog langs een dorp (in tegenstelling tot een plot) van de bushmen. Dit dorp is wel wat toeristisch ingesteld en hadden we in eerste instantie gemeden. Toch waren we nieuwsgierig naar het verschil tussen de echte bevolking (wat wij hadden gezien) en de toeristische insteek (wat ze ons zouden laten zien), dus we zijn er toch heen gegaan. Eenmaal aangekomen, werd onze angst bevestigd. Er liepen mannen in onderbroeken en met pijl en boog. Er kwam een gids aangelopen en we hebben dit met hem besproken. Gelukkig hadden we ook de optie om het dagelijkse leven van de mensen in dit dorp te bekijken. We kregen een rondleiding langs de school en langs enkele gezinnen, het langst konden/ wilden we blijven bij zijn eigen gezin. Toch leuk om gezien te hebben: het verschil niet toeristisch - toeristisch, maar ook het verschil plot - dorpje.